(18) Monologen

Misschien is “Monologen” als titel ook verkeerd. Erik von Lustbader sloeg in zijn boek de spijker op de kop. Ik had “Angst” als titel moeten nemen.


Beste Lezers,

Misschien is het opgevallen dat ik de situaties in mijn bijdragen telkens op mijzelf of mijn gezin projecteer. In veel gevallen gaat het ook over mijn gezin, maar niet altijd. De reden is dat ik daardoor niet iedere keer hoef te melden dat het gaat over fictieve personen en over fictieve situaties. Dat mag dan waar zijn in boeken en films, in de wereld van rouw en rouwverwerking geldt dat niet. De meesten van ons herkennen de situaties in mijn bijdragen helaas maar al te goed.

Het gaat deze week over die moeilijke momenten waarop je na het verlies van een dierbare eindelijk weer een beetje uit je schulp kruipt en je iemand thuis, op straat, of zomaar ergens ontmoet. Het gaat over die moeilijke momenten waarop je wordt gevraagd hoe het met je gaat.

Als titel had ik eerst “communicatie” bedacht. Maar nadat ik deze bijdrage een paar keer had gelezen kreeg ik het gevoel dat “communicatie” als titel niet klopte. Er wordt je weliswaar een vraag gesteld, maar tegelijkertijd wordt ook het antwoord gegeven. Je krijgt gewoon niet de tijd om zelf te antwoorden, laat staan dat je weet hoe je op dat moment moet reageren. Om die reden heb ik gekozen voor “monologen” als titel, en wel hierom…

Het overlijden van mijn echtgenote was keihard bij mij aangekomen. Daar komt nog bij dat zij vlak na onze 35-jarige huwelijksdag was overleden. Die 35 jaar waren omgevlogen. En daar zit je dan… alleen… niet beseffend wat er is gebeurd… bang om naar buiten te gaan… bang om…

Langzaam begon het te dagen… het besef… het besef dat je… dat je alleen verder moet… zonder al die warmte… zonder die ander… de liefde van je leven. Op dat moment drong de realiteit tot me door… als een donderslag bij heldere hemel… en vlak daarna regen als pijpenstelen… nog nooit zoveel gehuild… geen idee waar al die tranen vandaan kwamen… het bleef maar doorgaan… dagen lang.

Ik wilde lange tijd niemand zien, maar zo’n drie tot vier maanden na de uitvaart belde er iemand aan.

Ik zette koffie. Vooral om mijzelf bij de les te krijgen. Ook om orde in mijn gedachten te scheppen. Na de koffie kwam uiteindelijk de hamvraag. Ze ging er goed voor zitten en keek alsof ze alles tot in de details wilde weten en zei: “Ik weet precies hoe je je voelt. Je zal wel een vriendin hebben!” Ik was met stomheid geslagen. Hoe wist zij hoe ik mij voelde en waarom zou ik nu een vriendin moeten hebben. Ze had absoluut geen idee waar ze over sprak.

Voordat ik het besefte was ze al over zichzelf aan het praten. Waar ze allemaal mee bezig was, hoe interessant dat alles wel was en meer van dat soort dingen. Haar hele verhaal ging volledig langs me heen. Die eerdere opmerking bleef maar door mijn hoofd spoken.

Ze ging uiteindelijk weer weg en ik was blij dat ze weg was. Het aantal zinnen dat ik in dat gesprek heb gezegd kon je op de vingers van mijn handen tellen.

Het gevolg was wel dat ik puur uit frustratie en zelfbescherming al mijn “schepen” achter me heb verbrand. Het was niet eens een rationeel besluit; het was een onbewust besluit. En ik heb moeten constateren dat ik niet de enige ben die dit heeft gedaan. Het blijkt vaker te gebeuren, heel veel vaker.

Naïef als ik ben, dacht ik dat ik dergelijke in mijn ogen zo niet domme, dan toch erg onhandige vragen, niet meer zou krijgen. In tegendeel, in de loop van de tijd heb ik een aardige collectie verzameld. En er lijkt geen einde aan te komen.

Ruim drie jaar later liet iemand de andere kant van de medaille zien. Zou ik eerder drie tot vier maanden na de uitvaart al een nieuwe vriendin moeten hebben, deze keer was een periode van ruim drie jaar nog véél te vroeg. Als rouwende kan je hier alleen maar met verbijstering op reageren. Vragen worden je gesteld en tegelijkertijd worden ook de antwoorden gegeven; alsof de rouwende geen mening heeft of geen mening mag hebben.

Naar mijn mening zijn er naar de rouwende toe maar een paar goede reacties mogelijk.

  • Mocht je willen weten, maar dan ook écht willen weten, hoe de rouwende zich voelt, stel dan die vraag. Geef dan niet tegelijkertijd jouw antwoord, maar geef de rouwende alle tijd om zelf te antwoorden.
  • Wees duidelijk dat jij echt in de rouwende bent geïnteresseerd; daarentegen is de rouwende op dat moment absoluut nog even niet geïnteresseerd in hoe jij je voelt.
  • Je hoeft zelfs geen vraag te stellen; er gewoon voor de rouwende zijn is meer dan genoeg.

In feite willen we niet weten hoe het met de rouwende gaat. We willen gewoon niet weten wat ons op enig moment óók gaat overkomen. Erik von Lustbader formuleerde het in zijn boek “Sirens” als volgt:

“This is for Maggie,” Diana said softly. “Funerals are never for the dead,” he said in a tone that indicated he was speaking from experience. “They’re only to sooth the fears of the living.” And then as if it were an afterthought, “I have no interest in funerals.” “Why? Because you have no fear?” said Diana.  “Yes, “ he said.

We zijn bang voor de dood en als gevolg daarvan zijn we bang voor de rouwende.

Misschien is “Monologen” als titel ook verkeerd. Erik von Lustbader sloeg in zijn boek de spijker op de kop. Ik had “Angst” als titel moeten nemen.

Auteur: Hans Fransen

Stichting Jouw Rouwverwerking

2 gedachten over “(18) Monologen”

  1. Ik ben nu bijna drie jaar weduwnaar na een gelukkig huwelijk van 40 jaar.

    1. Ik heb gevonden dat als men vraagt “hoe gaat het met je” dan is het beste antwoord “het gaat me redelijk.” Zo beseft men dat het niet “goed” nog ” slecht” gaat maar dat, ja,het gaat redelijk gegeven de omstandigheden. Dus je hoeft niet uit te leggen dat alleen iemand die dit pelgrimspad bewandelt heeft, je toestand echt kan begrijpen.
    2. Gelukkig hebben weinig mensen tegen me gezegd “maar het leven gaat verder.” Het is niet waar. Het (vorige gelukkige) leven gaat niet verder – dat is precies de tragedie: een nieuw moeizaam leven begint.
    3. Als gelovige, heb ik heel veel troost uit het gedachte gehaald dat ik weer mijn lieve vrouw in een andere dimensie zal ontmoeten. Als bij me wanhopige gedachten – bijvoorbeeld over zelfmoord – opkomen, dan denk ik, ja, ze zal tegen me zeggen “wat doe je hier? Er was nog werk voor je daarginds te verrichten.” Het idee dat er nog wat voor me te doen (na 72 jaar!) is, geeft inhoud en richting aan mijn leven. De tijd die ons overblijft is kort – misschien zeer kort (in 2013 zijn vier voor me dierbare personen overleden). Wat moet ik nog gedaan krijgen voor ‘het laatste uur’ ?
    1. De wereld draait gewoon verder, alleen jouw wereld is niet meer de wereld die het was. Voor jouw gevoel is je wereld op z’n kop gezet. En de tijd die je nog rest wordt steeds korter en korter. Je probeert nog van alles af te maken wat je voor je gevoel nog moet doen. Hoe bizar het ook klinkt, het enige dat dan nog overblijft, is het genieten van de mooie dingen die je met elkaar hebt mogen delen en voor elkaar hebt kunnen doen.

      En hoe moeilijk het voor jou ook kan zijn, probeer vooral te genieten van alle mooie dingen in het leven dat nog voor je ligt.

Gaarne uw reactie.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.